Hoeveel minuten heb ik nog

Leestijd: ongeveer 8 minuten

10

Ik hoor vaag dat de man op vriendelijke toon herhaalt dat ik vanaf zijn primitieve grenspost niet door kan rijden naar Mongolië. De weg houdt over een paar kilometer op, zegt hij. Ik verwerk de informatie niet helemaal goed want ik begin misselijk te worden van ongeloof.

 

Ik sta in Kazachstan, voor een dichte verroeste slagboom op de grens met Rusland, op een verlaten gravelweg diep in de bossen. Vlákbij Mongolië. In mijn planning staat dat ik vanaf dit Kazachstaanse grenspostje nog maar een stukje van 570 kilometer Siberië over hoef te steken en dan ben ik bij de Mongoolse grens. Die grens gaat overmorgen voor een week dicht, en met nog twee volle dagen te gaan dacht ik ruim de tijd te hebben voor deze laatste kilometers. Niet dus.

 

Na jaren dromen, twaalf maanden voorbereiden, door meer dan twintig landen rijden en honderden hindernissen te overwinnen, ben ik zó dicht bij mijn gedroomde einddoel. En nu kan ik niet verder, zegt deze man. Ga direct naar de gevangenis, ga niet langs “af”, u ontvangt geen ƒ 200,-. Het begint koud te worden en ik voel me ineens ontzettend ver weg van huis.

Is dit dan nu het einde van mijn reis? De bebaarde grensbewaker staat in een overall pontificaal voor de dichte slagboom tussen hoge naaldbomen. Hij is vriendelijk en zegt dat ik een flinke omweg zou kunnen nemen. Dan moet ik eerst een paar honderd kilometer terugrijden Kazachstan weer in, vervolgens een afslag pakken naar het westen en met een enorme omweg door een heel ander deel van Rusland. Hij noemt een stad genaamd Barnaoel als knooppunt waar ik langs moet. Nooit van gehoord. De man zegt dat dit de enige begaanbare route van hier naar Mongolië is.

 

Ik heb nu twee problemen.

Één: route. Ik heb geen enkele manier om deze informatie te kunnen verifiëren. Ik moest namelijk zonodig zonder telefoon en gps op reis. Die waren op dit moment echt heel handig geweest. Maar nu moet ik me omdraaien en blind op deze man zijn woord afgaan, hopende dat ik de juiste weg vind met zijn minimale aanwijzingen.

Twee: tijd. Hoeveel kilometer het ook zal zijn, het is een gigantische omweg en ik weet niet of ik genoeg tijd heb. Ik heb vanaf nu, terwijl ik tegenover deze man sta, nog maar 46 uur om bij de Mongoolse grens te komen, voordat deze een week dicht gaat. Haal ik dat niet, dan zit ik vast in Siberië terwijl mijn Russische visum verloopt. Dan krijg je een heel nieuw niveau aan problemen.

Ik heb geen idee of dit allemaal haalbaar is, maar het is mijn enige optie. Mijn reis is een race geworden. De klok loopt.

De zon is inmiddels achter de bergen verdwenen en de temperatuur daalt snel. In het laatste daglicht draai ik weg van de dichte slagboom en met een kop vol spokende onzekerheden rij ik terug door het donkere bos, op zoek naar een slaapplek. Mijn hoofd voelt zwaar.

Ik slaap een korte nacht in een pension aan de rand van een Kazachstaans dorpje en sta zo vroeg als ik kan weer op. Ik ben in een grimmige stemming als ik mijn motorkleding aandoe. De opdracht voor vandaag is duidelijk: zoveel mogelijk kilometers maken als menselijk mogelijk is. Ik bepak Boris en doorbreek de kille ochtendstilte door de motor te starten. Mijn kaken klemmen zich vastberaden op elkaar, maar de twijfel giert door mijn lijf. 

In een schuw ochtendzonnetje vlieg ik door de dauwbeladen velden. Terug op mijn schreden, elke kilometer nu verder weg van Mongolië in plaats van dichterbij. Na anderhalf uur vind ik de weg naar het westen, naar de andere grenspost met Rusland waar ze me hopelijk wél doorlaten.

Ik kom er aan het einde van de ochtend aan en meld me in de rij. Knarsetandend moet ik accepteren dat de gebruikelijke formaliteiten mijn kostbare tijd opvreten. Ik worstel me zo beheerst mogelijk door alle administratieve rompslomp en rij Rusland binnen. Daar zie ik al snel een eerste wegwijzerbordje met mijn belangrijkste knooppunt. Barnaoel, 467 kilometer. Oh shit dat is echt nog ver. En het is al middag.

Ik jakker, snijd door het landschap, enkel stoppend om te tanken en om tijdens het afrekenen iets van eten in mijn mond te proppen. Daarna gelijk weer door, want de klok stopt niet. Monomaan focus ik me op de weg en ik voel geen vermoeidheid meer, alleen maar spanning. Uren glijden aan me voorbij en de zon zakt langzaam richting de horizon. Pas rond  zeven uur ’s avonds kom ik aan in Barnaoel, waar ik eindelijk een mogelijkheid vind om in een hotel te checken hoe ver het nog is naar Mongolië. Als ik het antwoord op die vraag zie, zakt de moed me nog verder in de motorlaarzen. Nog 805 kilometer tot aan de grens. Hoe ga ik dat vóór morgenmiddag voor elkaar krijgen op deze slechte wegen? Ik besluit het avondeten over te slaan en te blijven rijden zo lang ik dat nog verantwoord vind.

Zestien lange uren nadat ik ben vertrokken, stap ik uiteindelijk in het pikkedonker af, bij een onderkomen voor seizoenswerkers. Mijn hoofd is te vol om rustig te kunnen zijn, dus ondanks dat ik meteen naar bed zou moeten drink ik eerst twee grote glazen bier om de spanning uit mijn lijf te halen. Kan ik  het nog halen? Ik moet nu echt eerst rusten om enigszins veilig verder te kunnen rijden. Ik besluit om vier uur uit te trekken om te slapen.

Dan breekt de laatste dag aan.

Het is bij vlagen prachtig weer en het Altaj-gebergte ligt er schitterend bij, een indrukwekkend decor voor een grote overwinning / dramatische nederlaag. De gedachte aan het niet halen van mijn reisdoel is nu zo bedreigend dat mijn hoofd weigert er een voorstelling van te maken. Dus jagen Boris en ik verder, geconcentreerd, kilometer voor kilometer. Ik rij door groene valleien waar kleine huisjes staan van donker hout, hier en daar verrot. Kuddes schapen staren me na terwijl ik langs race, mijn blik op oneindig en de gashendel open.

Uren gaan voorbij, het is inmiddels halverwege de middag als de weg plotseling breder wordt. Ik zie betonnen gebouwen – en daar is een grenspost. Ik veer overeind in het zadel. Het uur van de waarheid is hier.

Laten ze nog mensen door? Ik sta aan de Russische zijde en ik zie niemand. Ik moet uiteindelijk zelf douaniers uit hun kantoortjes trommelen om me te komen controleren. Ik vermoed dat ze zich al aan het klaar maken zijn om de komende dagen dicht te kunnen gaan. Wederom loop ik zenuwslopend traag alle obligatoire stappen door – drie paspoortchecks, twee voor het visum, papierwerk om Boris uit te voeren, voertuig- en bagagecheck. Ik blijf geforceerd glimlachen terwijl ik alleen me alleen nog maar afvraag of ik nog door de Mongoolse post kom.

Het blijkt nog 22 kilometer rijden door een ruig niemandsland, met koud zweet langs mijn rug. Ik moet kapot zijn maar ik voel alleen maar concentratie. Dan, eindelijk, doemt daar tussen de heuvels het laatste obstakel van mijn reis op: de Mongoolse grens. Het is het einde van de middag. Ben ik nog op tijd? Na twintigduizend kilometer rijden komt het aan op minuten.

Ik ben het laatste voertuig dat aansluit in een rijtje van 7. Een rij, dat is een goed teken. Iemand komt zowaar een eerste paspoortcheck doen – ze lijken gewoon echt nog open. Elke stap is me nu teveel, bij elke controle van een reisdocument of Boris gaat mijn hart sneller kloppen, ik weiger te geloven dat dit goed gaat. Ik zeul van het ene loket naar het andere, beantwoord de vragen, glimlach innemend, laat mijn documenten zien. En dan mag ik tot slot naar de laatste horde. Voor de tweede keer in twee dagen sta ik voor een verroeste slagboom. Maar deze gaat open.

En dan sta ik in Mongolië.

Eventjes is het doodstil terwijl ik voor me uit kijk. Ik zie ruige graslanden op Mongoolse heuvels en een koele bries aait mijn gezicht. Kippenvel verspreidt zich over mijn huid. Dan, als een stuwmeer dat leegloopt, stort de jarenlang opgebouwde spanning in vloedgolven door mijn hele lijf. Mijn hoofd duizelt. Ik kan het niet geloven.

Ik snuif een zo groot mogelijke snuif lucht, vul er gulzig mijn longen mee, ik wil weten hoe Mongolië ruikt en ik kijk om me heen naar het landschap. Ik roep dingen tegen Boris en timmer hem trots op zijn tank – we hebben het gewoon geflikt. Verschillende Mongolische fixers komen op me af rennen om geld om te wisselen of me een slaapplaats te verkopen. Ik laat me meevoeren in hun geratel, in de roes van de overwinning en het maakt me allemaal niet meer uit. We zijn er. We zijn er.

- - -

Twee dagen later rij ik door het woeste landschap en Mongolië is precies zo magisch als dat ik altijd heb gedroomd. De heuvels zijn bedekt met een korte stugge grassoort die de indruk geeft dat er een zacht groen laken over het hele land ligt, waar af en toe een ruige rotspartij doorheen priemt. Er zijn hier geen bomen en er groeien nauwelijks planten. De zon en de wolken spelen een betoverend schaduwspel op de bergen, waardoor het lijkt alsof op sommige plekken een spotlight staat om je aandacht te trekken: kijk dan hoe mooi.

Boris en ik rijden door graslanden over een eindeloze vlakte omringd door de groene heuvels. Er is geen weg en ik navigeer op de stand van de zon. Zo nu en dan komen we grote kuddes vee tegen die zonder herder rondlopen, soms ligt er een beekje in de weg waar we doorheen moeten rijden. Als we een bergketen op ons pad vinden, slingeren we tussen de toppen door totdat we er aan de andere kant weer uitkomen.

Hier heb ik het voor gedaan, al die tijd. Het is moeilijk te bevatten dat de duizenden tussenstappen hiertoe hebben geleid. Het had op zóveel momenten kunnen mislukken, maar dat heeft het niet gedaan.

We zijn hier, Boris en ik, en het is machtig mooi. We rijden verder, over de vlakte. Niemand om ons heen, en ik ben intens gelukkig.

Waar speelde dit verhaal zich af?

In de bossen buiten het plaatsje Ridder, in het Altaj-gebergte in Siberië en in het schitterende westen van Mongolië.

fullsizeoutput_6aee.jpeg