Boris en ik moeten passen

Leestijd: ongeveer 7 minuten

09 

Ik kijk naar de geamputeerde delen van Boris die aan mijn voeten in het zand liggen, terwijl het zachtjes begint te sneeuwen. Dit is niet goed. Zijn benzinetank, een deel van het kuipwerk en het zadel zijn operatief en tevergeefs verwijderd. Ik staar naar het zwarte smeer op mijn handen, de onderdelen op de grond en in mijn hoofd beginnen de gevolgen van deze gefaalde ingreep duidelijk te worden. Ik kan Mongolië uit mijn hoofd gaan zetten. 

Het zit zo: gisteren kwam ik met Boris ternauwernood een hoge bergpas over, omdat er op deze hoogte in de bergen van Tadzjikistan te weinig zuurstof is voor de motor om de benzine voldoende te kunnen verbranden. Sputterend, proestend en in de eerste versnelling waren we uiteindelijk stapvoets nog maar nèt over de laatste col gehobbeld. Nadat we bij de eerste poging onderuit waren gegaan.

Vandaag is de uitdaging nog een stuk groter. De hoogste pas van de hele reis is aan de beurt en daarmee het grootste obstakel op weg naar succes: het wegdek ligt op 4655 meter boven zeeniveau. Ik heb al meerdere motorrijders gesproken wier motoren dat niet hebben gehaald. Overigens had ik me hier al in Nederland op voorbereid: ik had maar liefst twee trucs achter de hand om in ijle lucht toch nog wat extra vermogen uit de motor te toveren. Maar ja. Sta je dus in een afgelegen bergdorp tussen de yaks, blijken er toch wat foutjes in je voorbereiding te zitten.

Ten eerste is er kennelijk een speciaal Honda-sleuteltje nodig om te bougies te kunnen losschroeven (truc #1: maak je bougies schoon) en dat sleuteltje heb ik niet. Daarnaast blijkt Boris toch niet zo in elkaar te zitten als zijn type motor in het Youtubefilmpje dat ik zorgvuldig had bestudeerd in mijn woonkamer in Utrecht (truc #2: haal je luchtfilter er tijdelijk uit). En omdat ik op zijn zachtst gezegd geen briljante monteur ben, heb ik geen idee meer wat nu te doen.

Daarbij zit ik met een stukje timing. Als ik vandáág de pas niet haal, dan ben ik niet op tijd in Kazachstan voor een nieuw Russisch visum. Als ik dat Russische visum niet op tijd heb, red ik het niet om vóór 10 juli bij de Mongolische grens te zijn, die vervolgens 5 dagen dicht gaat. Als ik bij een gesloten grens aankom, zit ik vast in Rusland met een visum dat dan verloopt en dan heb ik geen idee hoe ik nog thuis moet gaan komen. Einde avontuur.

De sneeuw vormt prachtige witte ijskristallen op de mouwen van mijn zwarte hoodie. Ik kijk ernaar en voel me volkomen leeg. Ik heb nooit het idee gehad dat Mongolië een zekerheidje was, maar het was wel jarenlang de droom. Dat het er nu op lijkt dat die droom definitief uit zicht is, ontdoet me van al mijn blije gedachten.

Met koude handen sleutel ik de benzinetank weer op zijn plek en doe de zipties weer rond de kuipdelen. Ik haal een vinger open – typisch om op dit moment nog even wat fysieke pijn aan de mix toe te voegen. Huiverend van de snel toenemende kou trek ik mijn pak aan en start Boris. Ik heb geen andere keus dan, tegen beter weten in, richting de pas te rijden en te zien of er nog wonderen bestaan in de wereld. Langzaam rij ik de woestenij in, over de gestaag stijgende weg waar al dagen nauwelijks meer vegetatie te bekennen is. Het is mooi hier, dit ruige landschap met haar besneeuwde zevenduizenders en de roodgekleurde rotsen, in al haar onherbergzaamheid. Ik zie het alleen even niet, want ik heb het te druk met balen.

Na ongeveer een uur doemt er een terreinwagen op langs de kant van de weg en ik laat mijn snelheid zakken om te kijken of er misschien mensen hulp nodig hebben. Het kan natuurlijk niet kloppen, maar het lijkt wel alsof de auto een Nederlands nummerbord heeft. Ik knijp mijn ogen samen en kom ongelovig dichterbij. De man naast de auto ziet er zo Nederlands uit als maar kan, met een geruit fleecejack, een dos wit haar en bootschoenen. “Goedemorgen”, zeg ik als ik naast de auto tot stilstand ben gekomen. De man kijkt me ietwat verstrooid aan. “Hallo?” Verrek zeg.

Er wordt mij hartelijk een campingstoeltje aangeboden en ik aarzel even – mijn hoofd staat nog in de baalstand en ik ben op weg naar een gedoemde mislukking waar ik misschien alle beschikbare tijd voor nodig heb. Maar iets zegt me dat ik hier even moet gaan zitten. We nemen plaats aan de kant van de weg achter de zwarte Toyota. Daan is reisfotograaf en is vanuit Driebergen komen rijden, terwijl zijn vrouw Clarine onderweg voor een etappe is opgestapt. Beiden zijn warme en avontuurlijke persoonlijkheden.

Gedrieën praten we reizigerspraat, over waarom we zijn waar we nu zijn, over tochten die we in het verleden hebben gemaakt, over levensfilosofieën en over de uitdagingen die ons nog te wachten staan onderweg. Ze zijn wat ouder dan ik, halverwege de vijftig vermoed ik en ik heb het gevoel dat ik met twee verwante geesten in gesprek ben. Langzaam, terwijl ik me tegoed doe aan de warme thee en het mariakaakje van de Albert Heijn (je verzint het niet in Tadzjikistan) begint mijn gemoedstoestand te verbeteren. Daan en Clarine horen mijn relaas aan en bieden aan om als plan B te fungeren. Als ik niet zelfstandig over de pas kom, willen ze mijn bagage wel overnemen en misschien dat ik het zonder al dat gewicht dan wél haal. Het is niet veel, maar het biedt me een fundamenteel stukje hoop dat ik vanochtend niet meer had. Verfrist stap ik op Boris, zwaai, en ga verder.

De weg blijft heel gestaag stijgen, wat goed is omdat dit minder van de motor vraagt dan hele steile stukken. Toch lopen de toeren langzaam maar onheilspellend zeker terug. Eerst moet ik terugschakelen naar de derde versnelling, omdat er niet genoeg zuurstof is voor de vierde. Even later moet ik terug naar z’n twee. Boris reutelt. Dan komt de gevreesde eerste versnelling en we kunnen niet harder meer dan 18 kilometer per uur. Nu is het wachten totdat ook het laatste stukje leven onvermijdelijk uit de motor verdwijnt.

Twee zenuwslopende minuten gaan voorbij, maar ik rij toch nog, zij het tergend langzaam. De ondergrond is onmogelijk glibberig en vol gaten, wat het extra bemoeilijkt om Boris niet af te laten slaan.

Na vier minuten billen knijpen rijden we nog steeds, tegen mijn verwachtingen in.

Na acht ook nog.

 

In een trance focus ik me op alle te ontwijken gaten en stenen en probeer me niet te laten afleiden door mijn eigen verbazing dat we nog voorwaarts bewegen. Na een haarspeldbocht die ons bijna fataal wordt zie ik plotseling een soort colletje, waar een jeep stilstaat. Tot mijn schrik zie ik dat de weg daarna alleen maar naar beneden gaat, een vallei in. Dat kan niet. Dit is toch niet. Zal toch niet.

De Tadzjieken die naast hun jeep staan spreken een heel klein beetje Engels.

“Is this the pass? Is this the highest pass?”, vraag ik met een bevelende maar trillende stem.
“Yes!”, is het antwoord van de mannen.
The highest pass??”, vraag ik nog een keer. Mijn dichtknijpende keel weigert het te geloven.
“Yes!!!” zeggen de mannen lachend.

Een halve seconde hangt mijn mond een beetje open terwijl ik de informatie verwerk. Duizend gedachten schieten door mijn hoofd. Elf jaar lang dromen balt zich samen in mijn borstkas en ik hou het niet meer. Een bulderende lach ontsnapt aan mijn binnenste en die lach echoot tegen de bergen van de Pamir, uitzinnig van geluk.

We hebben de pas gehaald.

Ik ben in een waas als de mannen op mijn verzoek een foto van mij en Boris nemen. Op het moment dat de sluiter zijn werk doet, bal ik mijn vuisten en slaak een oerkreet die alle hoop, twijfels, ambities en wanhoop van de afgelopen jaren in zich heeft. Ik kan het niet geloven. Terwijl ik vanochtend geen enkel perspectief meer zag, begint nu voor het allereerst een tegengesteld besef te dagen: ik realiseer me hier op deze pas dat Mongolië nu echt haalbaar is. Het was altijd een mogelijkheid, maar nu is het ineens een bescheiden waarschijnlijkheid. Lyrisch wacht ik op Daan en Clarine, om samen te vieren dat we allen deze hindernis hebben overwonnen.

De weg naar beneden is moeilijk te beschrijven, maar het is een middag die me tot de laatste dag van mijn leven bij zal blijven. Boris en ik zijn in de hemel, de avonturiershemel en die ziet eruit als een ongeplaveide Tadzjikistaanse weg door woeste rotsformaties en enorme glanzende ijsvelden op de toppen van onmogelijk hoge bergen.

Links van ons vormt zich een gitzwarte onweersbui en het zonlicht dat er onderdoor komt zetten is zo hartverscheurend mooi dat het pijn doet aan mijn ziel. Ik voel de koele berglucht door mijn helm stromen en ik besef waar ik ben en hoe ik hier ben gekomen. Boris zijn banden raken de grond niet meer, we zweven door het landschap, we zijn onsterfelijk.

We gaan het halen.

Waar speelde dit verhaal zich af?

In het Pamir-gebergte in Tadzjikistan, tussen Murghab en Karakul (de Ak-Baital-pas).  

fullsizeoutput_6aec.jpeg