Ik moet een grens over

Leestijd: ongeveer 6 minuten

04 

Met kloppend hart en medium bevende handen sta ik in de brandende zon voor mijn eerste grenspost, en mijn eerste nieuwe land deze reis. Het is druk, meerdere onduidelijke rijen gedateerde auto’s staan er uitlaatgassen uit te braken. Ik sta er in mijn zwarte motorpak tussen te koken.

Het grensgebouw zelf ziet eruit als een soort enorm dystopisch benzinestation; een imponerende grauwe overkapping op talloze stalen palen, half verroest met allerlei symbolen en vlaggen erop. De betonnen vloer eronder zit vol scheuren en gaten en er staan kleine hokjes met nog kleinere raampjes waar alle mensen zich één voor één moeten melden. Ik zal er ook langs moeten als ik naar Bosnië en Herzegovina wil vandaag.

Dit wordt de eerste plek op mijn reis waar ik nog nooit eerder ben geweest. Ik verlaat de veilig aanvoelende EU. Mijn kennis van dit land beperkt zich tot drie dingen: flarden van verschrikkelijke nieuwsberichten over de oorlog in de jaren ’90, reisadviezen die waarschuwen voor gewelddadige berovingen en de wetenschap dat het land voor Europese begrippen niet rijk is. Daarbuiten weet ik niets en aangezien ik reis zonder internet kan ook Google me niet helpen. Spreken er mensen Engels? Wat is de staat van het wegdek? Hoe wordt een eenzame motorreiziger behandeld? Hoe schat ik in of een situatie gevaarlijk is? 

Het is óók mijn eerste douanepost deze reis. Grensovergangen: de avonturier in mij heeft er een ambivalente relatie mee. Het zijn de poorten naar andere culturen, onontgonnen terrein en nieuwe ervaringen. Maar het zijn óók nare plekken, met hele eigen regels. Een klein foutje kan hier de grootste gevolgen hebben.

Bij een grensovergang kan een willekeurige chagrijnige bureaucraat beslissen om mijn hele avontuur onmiddellijk een halt toe te roepen. Louche figuren hangen er rond. Zwaarbewapende mannen en vrouwen lopen druk heen en weer als nationalistisch en militair vertoon. Vaak word je langs talloze kantoortjes gestuurd die gevuld zijn met norse mensen en begeerde stempels. Daar moet je dan steeds weer iets bewijzen voordat je verder mag naar het volgende raampje. Ik hoop maar dat de Zichzelf Belangrijk Vindende Bewakers Der Grenzen vandaag geen bezwaren hebben tegen mijn reisdoel, iets in mijn bagage of iets anders onbenulligs. Weet ik echt zeker dat ik al mijn visa-voorbereidingen foutloos heb gedaan? Dat ik alle juiste papieren heb?

Dan is het mijn beurt. Ik haal adem en meld me ingehouden vrolijk aan het raam. De official erachter kijkt volslagen uitdrukkingsloos en reageert niet op mijn begroeting, maar eist kortaf mijn documenten. Ik overhandig het stapeltje en probeer om niet verdacht uit mijn ogen te kijken. Waarom ik dat doe weet ik niet. Er worden formulieren gepakt, dingen opgeschreven, maar vrij snel krijg ik een stempel in mijn paspoort: mijn exit uit Kroatië is soepel verlopen en binnen slechts een paar minuten. Opgelucht rij ik een kilometer verder tot aan de douane van Bosnië en Herzegovina.

 

Weer een hete rij, weer wachten, weer spannend. Als ik bij het hokje kom, blijkt de beambte geen Engels te spreken maar wel Duits, wat ik een stuk minder beheers. Waarom is mijn grüne Karte niet grün, zo wil hij weten. Dat kan niet! Dat mag niet! Nu moet je hier de hele nacht wachten tot morgen de verzekeringsbeambte er weer is en hopen dat die je matst! Ik combineer vriendelijkheid met geduld, straal het enthousiasme over mijn avontuur wat aangedikt uit en hoop op coulance. Die komt er. De gezagsdrager laat me een tijdje zweten maar accepteert uiteindelijk toch mijn printje in plaats van de officiële groene kaart. Nog een kwartiertje overleggen met zijn collega’s en dan laat hij me door. Grens nummer één is geslecht.

Op mijn hoede rijd ik het land binnen. Als een antilope die een open vlakte oploopt, zo nemen Boris en ik voorzichtig de eerste weggetjes. Even de kat uit de Bosnische boom kijken. Ogenblikkelijk valt het grote aantal geruïneerde huizen me op, ze staan links en rechts langs de weg. Ik passeer een energiecentrale waar hele boze bordjes me duidelijk maken dat ik hier absoluut niet mag stoppen of foto’s mag maken. Mensen staren me na. Ik ben er niet gerust op.

Ik merk gedurende de dag dat de angst niet blijft plakken. Hoe meer ik van het land zie, hoe meer ik ontspan. Ik spreek bij een benzinestation de eerste vriendelijke inwoners van Bosnië en Herzegovina. Ik geniet van een welverdiend diner op een gezellig terrasje in Sarajevo en ineens voelt het land helemaal niet meer zo bedreigend als vanochtend. Mijn volle maag helpt ook, het heeft iets geruststellends om ergens een warme maaltijd te eten. Als ik na het eten door de stad loop, zijn de mensen er hartelijk en warm. Er wordt veel gelachen. Sarajevo is prachtig, de straatjes pittoresk en vol bedrijvigheid. Ik slenter de hele avond door de stad, praat met mensen, drink er een biertje. Als ik uiteindelijk richting mijn hostel ga om te slapen vraag ik mezelf af waarom ik eigenlijk zo gespannen was toen ik het land binnen ging.

Het blijkt een leermoment op mijn reis. Bij de grenzen die volgen heb ik dezelfde spanning als bij Bosnië en Herzegovina. Maar iedere keer valt het waakzame en achterdochtige gevoel weer wat sneller van me af dan de keer ervoor. Ik word steeds iets makkelijker met nieuwe landen. Ik kom nog wel mensen tegen die me argwaan proberen aan te praten voor het volgende land, het volgende gebied, de volgende stad. Ze projecteren hun angst voor anderen op mij. Maar op elke nieuwe plek ontmoet ik mensen die laten zien dat die angsten niet gegrond zijn.

 

In Bosnië en Herzegovina word ik getrakteerd, in Servië word ik uit eten genomen, in Roemenië slaap ik bij iemand thuis. Bij de grens van Oekraïne word ik vriendelijk verwelkomd door de douanebeambten (een zeldzaamheid), met vaderlijk advies om goed uit te kijken voor het slechte wegdek. In Transnistrië rijd ik langs dreigende tanks en mitrailleursnesten het separatistische staatje binnen, maar koopt de eerste bewoner die ik spreek spontaan een fles lokale drank voor me. Als welkomstcadeautje zegt hij, om lekker van te genieten tijdens de rest van mijn reis.

Het begint me te dagen: verreweg de grootste angst is de angst voor het onbekende. De belangrijkste grens die ik over moet blijkt in mijn hoofd te zitten. Het reizen zelf maakt me stap voor stap minder bang voor het volgende gebied en de mensen die er leven en elke keer sta ik weer een beetje méér open voor al het bijzonders dat er te ervaren is. Ik realiseer me dat dit misschien wel één van de mooiste redenen is om dit avontuur te ondernemen.

Als ik ergens in de vierde week van mijn reis wakker word in het oosten van Oekraïne, ben ik relaxed. Ik heb er zin in vandaag. Het is de dag dat ik Rusland voor het eerst van mijn leven zal binnengaan, over een landsgrens tussen twee naties die in een conflict zijn verwikkeld met elkaar. Ik ben benieuwd naar de sfeer bij de douane, heb vooroordelen over de gemiddelde Rus en verwachtingen van de verkeersveiligheid, maar ik kan alles al beter plaatsen in de context van mijn eigen onwetendheid.

Ik snoer mijn tassen stuk voor stuk op hun plek, check de kilometerstand en drink een laatste kopje koffie. Ontspannen stap ik op Boris en ga de volgende grens over.

Waar speelde dit verhaal zich af?

Bij de grensovergang van Kroatië naar Bosnië en Herzegovina. En stukjes in Servië, Roemenië, Transnistrië en Oekraïne.   

fullsizeoutput_6aeb.jpeg