Mijn Iraanse aanzoek

Leestijd: ongeveer 6 minuten

07 

“No, no! No hotel!” De man gebaart dat het absoluut uitgesloten is dat ik vanavond in Teheran in een hotel zal slapen. We staan bij een slecht onderhouden benzinestation op zo’n tachtig kilometer van de hoofdstad van Iran, waar ik met mijn motor op een zanderig stoepje ben gaan staan om wat water te drinken voordat ik verder rij na mijn tankbeurt.

De man is naar Boris komen kijken, terwijl zijn vrouw en zijn dochter me giechelend snoepjes, verse kersen en zoete frisdrank toestoppen. Hij stelt zich voor als Reza. Hij moet ergens in de veertig zijn, met kort zwart haar en een grijzend sikje. Hij is niet groot maar heeft een atletisch postuur en gaat gekleed in een zwarte broek met een zwart t-shirt, waarop een doodshoofd met een indianentooi staat afgebeeld. Reza heeft pretogen en een gelaat dat verraadt dat hij een hard bestaan leidt, onder andere doordat een paar tanden missen. Ik heb hem zojuist, via zijn minimaal Engels sprekende dochter, geantwoord dat ik geen plannen had om bij familie en nee, ook niet bij vrienden te gaan slapen vanavond, iets wat hem zichtbaar verwart.

Als je niet bij familie verblijft, en ook niet bij vrienden, waar dan wel? Mijn antwoord (“in een hotel”) is voor hem absoluut onaanvaardbaar. Een Iraniër laat een gast van zijn land niet in een betaalde loge slapen. Het wordt me te kennen gegeven dat ik vanavond te gast zal zijn bij Reza en zijn vrouw Alma, dochter Atila en diens man Mersad, voor een warm maal en een bed, als ik dat wil.

Het is exemplarisch voor het land waar ik enkele dagen geleden binnen ben gereden. Ik had al veel verhalen over Iran gehoord van andere reizigers en allemaal legden ze de lat hoog. Hoe geweldig de mensen er zouden zijn, dat ik er verwelkomd zou worden als nooit tevoren, dat ik er vrienden voor het leven zou maken. Maar door een klein oponthoud in Georgië kon ik uiteindelijk maar zes dagen in Iran zijn in plaats van de gehoopte twee weken. Dat zou vast te kort zijn om die legendarische gastvrijheid te ervaren, dacht ik. Hoe naïef van me. Grijnzend rijd ik achter Reza’s kleine autootje aan.

In het uitgesproken ingerichte appartement, met gouden tierlantijntjes en glanzende tapijten, word ik met een mengeling van nieuwsgierig enthousiasme en liefdevolle vanzelfsprekendheid in de familie opgenomen. Alma, net als haar man geheel in het zwart gekleed (maar dan zonder doodshoofd), plant me in de middelste van de prachtige stoelen en onmiddellijk komen de eerste lekkernijen op tafel: kersen, zonnebloempitjes, chips en een soort suikerspin van amandel. Dochter Atila spreekt een klein beetje Engels en haar man Mersad ook, maar we communiceren voornamelijk via een Iraanse variant van Google Translate die ze op hun telefoon hebben.

“What do you think about Trump?”

“How much does gasoline cost in the Netherlands?”

“What is your religion?”

In mijn antwoorden vindt de ontmoeting plaats tussen onze culturen. Onze economieën liggen lichtjaren uit elkaar, zoveel is duidelijk, en de familie is aardig op de hoogte van de laatste geopolitieke ontwikkelingen. Ik leer dat het gezin islamitisch is maar het vooral heel interessant vindt dat ik geen religie heb. De vrouwen dragen binnenshuis wel hoofddoeken, maar ze schromen niet om een vriendelijke hand op mijn schouder te leggen of veelvuldig naar me te knipogen, terwijl ik dacht dat beide zaken taboe zouden zijn in het land. Het is ons buitenlanders door de regering verboden om zelfs maar naar vrouwen te kijken, om maar even wat te noemen. Het wordt me maar weer eens duidelijk: er is een verschil tussen de staat en de inwoners van een land. In Iran kan dat contrast haast niet groter.  

We dineren samen op de grond met geel gekleurde rijst, verse salade, haastig van de markt gehaalde stukjes vlees en een blauwe doorschijnende pudding in hartvormige glazen schaaltjes. Met volle monden praten we verder over werk, de traagheid van het Iraanse internet, huizenprijzen en de lege (verboden!) flessen alcohol die als pronkstukken in hun kast staan. Er wordt veel gelachen en we laven onszelf aan het kijkje in het bestaan van de ander.

De grootste openbaring voor de familie komt als ik vertel dat ik op mijn veertigste nog niet getrouwd ben. “Whaaaat? Martin why do you not have a wife?? And no children?” Uiteraard moet het wel heel erg met me gesteld zijn. Lachend vertel ik dat in de Nederlandse cultuur een huwelijk minder belangrijk is en dat ik geniet mijn vrijgezelle bestaan. Bijvoorbeeld omdat ik dan zonder overleg op motorreis kan.

Pas diep in de nacht, na enkele fanatieke potjes Iraans domino, kan ik mijn ogen niet meer open houden word ik naar de enige kamer begeleid waar een tweepersoonsbed staat. Dit is duidelijk de slaapplek van het ouderlijk echtpaar en daarom bedank ik vriendelijk: ik slaap met liefde op de grond. Het wordt me echter al snel duidelijk dat dit niet gaat lukken. Hoezeer ik ook tegensputter, ik word hartelijk uitgelachen. De gast slaapt in het bed. Punt. Moegestreden geef ik uiteindelijk toe en vlij me op het zachte matras, omgeven door staatsportret-achtige familiefoto’s en een enorme poster van een schaars geklede vrouwelijke filmster.

Vlak voordat ik in een diepe slaap val, verwonder ik me over het feit dat de mensen die ik op mijn reizen tegenkom altijd zo vanzelfsprekend hartelijk zijn. Niet zelden word ik bij mensen thuis uitgenodigd, koken ze een maaltijd voor me, geven me spullen die ik op dat moment nodig heb en soms slaap ik dus in hun eigen bed. Deze Iraanse familie heeft het duidelijk niet breed en toch halen ze alles uit de kast om mij goed te ontvangen en te helpen. Het is voor mijn Nederlandse geest haast onvoorstelbaar: hoe kunnen ze iemand na zo’n korte kennismaking zo in hun gezelschap opnemen? Het zijn dit soort bijzondere ontmoetingen die de essentie vormen van wat reizen zo mooi maakt.

De volgende ochtend begeleidt het hele gezin me naar het juiste kruispunt, zodat ik mijn route naar de volgende stad makkelijk kan vinden. Aan de kant van een drukke weg nemen we afscheid. De mannen zijn stiller dan gebruikelijk en ik zie ineens tot mijn verbazing dat ze de tranen in hun ogen hebben staan. Ik krijg een enorme dikke knuffel en een tiental vaderlijke zoenen van Reza en hij slikt een brok weg. Hij is oprecht geroerd door deze reiziger die hem heeft vereerd door zijn gast te zijn, in zijn land. De vrouwen dragen hun verdriet met een glimlach. Als laatste staat dochter Atila voor me. Ze heeft nog een cadeautje voor me, zegt ze.

 

“Martin, you are forty. Find a wife and give her this.” Ze houdt haar handen in de mijne. Als ik ze open doe, ligt daar een prachtige kleine zilveren ring. De familie staat er glunderend bij te glimlachen, trots op hun nieuwe Nederlandse familielid dat ze in hun harten hebben gesloten.

Waar speelde dit verhaal zich af?

In Mohammad Shahr, een voorstad van Teheran in Iran.   

fullsizeoutput_6af1.jpeg