Zonder zuurstof
in
Tadzjikistan

Leestijd: ongeveer 5 minuten

01 

Ik lig op de grond naast mijn nog nasputterende motor en hap naar adem. Niet eens zozeer omdat de klap nou zo hard was, maar meer omdat er hier op 4200 meter hoogte niet bijzonder veel zuurstof voorradig is. Mijn schouder en mijn ego voelen een beetje beurs en ik hoor iets van een grom uit mijn mond ontsnappen als ik overeind kom. Lekker bezig, wereldreiziger.

Ik draai het contact uit, veeg het zand een beetje van mijn zwarte motorpak en doe mijn helm af. Er waait een fris bergbriesje door mijn verwaarloosde, zongeblondeerde haar en mijn inmiddels nogal uit de hand gelopen baard. Ik haal opgelucht adem – op het eerste gezicht lijkt er niets beschadigd te zijn aan mezelf of aan Boris.

Boris, zo heet mijn matzwarte Honda, mijn trouwe metgezel op wielen, die ik dit jaar voor €600 op Marktplaats kocht. We zijn alweer twee maanden op avontuur met zijn tweeën en hebben al heel wat meegemaakt, maar de huidige situatie valt toch wel in de categorie “spannende momentjes”.

Oké, waar ben ik ergens.

 

Tegen de felle zon in kijk ik om me heen. Ik sta op een helling, naast me ligt Boris op het zanderige pad dat voor een weg moet doorgaan. Het bestaat voornamelijk uit gruis, scherpe stenen en is bezaaid met kuilen en verraderlijke geulen waar je voorwiel zomaar in kan blijven steken. Ik schat in dat Boris en ik zo’n honderd meter van de top verwijderd zijn, waar de hoogste pas van vandaag zich bevindt. Het landschap om ons heen is gortdroog, er is geen boom of zelfs maar een struikje te bekennen. Rotsblokken, kale berghellingen met restanten sneeuw en een spiegelend poeltje smeltwater als enige afwisseling tussen alle stoffige zandkleuren. Ik richt mijn blik op waar ik vandaan ben gekomen en ik zie in de verte de prachtig besneeuwde pieken achter de Wakhan-corridor in Afghanistan. Als ik de andere kant op kijk kan ik het westen van China zien liggen. Sommige van de bergen daar zijn meer dan 7000 meter hoog, heb ik gelezen.

Het Pamir-gebergte is een onwaarschijnlijk mooie, ruige plek op aarde waar ik al de hele dag vol adrenaline doorheen aan het scheuren ben. Met 70 kilometer per uur tegen de berghellingen omhoog, soms maar een halve meter verwijderd van een ravijn, Boris dansend en springend onder me over alle oneffenheden die de wegen in dit gebied kenmerken. In mijn spiegels de stofwolk die ik doe opwaaien met al dit ronkende geweld, steentjes links en rechts opspattend. Mijn iPodje zorgt voor de soundtrack bij deze mooiste motormomenten uit mijn rijdende carrière. Elk stuk van de weg een uitdaging op zich, het ene uitzicht nog mooier dan het andere.

Maar goed, toen lag ik dus ineens op mijn snufferd op deze berg. Mooie ruige plek voor een foto wel, bedenk ik. Goed moment ook: dit is de eerste keer deze reis dat ik op mijn plaat ga. Toch memorabel, nietwaar. Ik pak mijn fototoestel uit de tanktas en schiet een kiekje, met Boris nog liggend op de voorgrond.

Tijd om verder te gaan. Ik wil graag vandaag deze bergpas halen, kijken of de machine en de mens het aankunnen. Eerst Boris dus maar eens op zijn banden zien te krijgen. Ik gooi mijn volledige gewicht in de strijd om 250 kilo Honda, zijtassen, topkoffer en een 70-liter backpack overeind te hijsen, iets wat stukken minder soepel gaat dan ik had gehoopt. Inderdaad best weinig zuurstof hier.

Als ik weer in het zadel stap, het contact omdraai en de startknop indruk, gebeurt er niets. Geen startmotor die aanslaat, geen cilinders die tot leven komen, helemaal niets. Ik druk nog een keer. Nada. Boris vindt de lucht kennelijk ook te ijl. Ik voel het lelijke beest van de paniek zijn kop opsteken en mijn maag draait in een knoop. Er is hier in dit maanlandschap niemand om me te helpen, te slepen, te redden: het is ruim 140 kilometer naar het volgende dorpje. Zelf heb ik bitter weinig ervaring met sleutelen. En omdat ik zonder telefoon op reis ben kan ik geen oplossing googlen of iemand bellen. U hebt geen hulplijnen meer over. U bent volledig op uzelf aangewezen. Succes ermee. Mijn keel knijpt een beetje samen.  

Dan spreek ik mezelf vermanend toe.

Focus. Je gaat ook dit weer kunnen oplossen.

Ik draai Boris met zijn voorwiel in de richting waar ik vandaan ben gekomen, de helling weer af. Eén stap terug zetten om er hopelijk weer twee vooruit te kunnen doen. De zon schijnt genadeloos op mijn zwarte helm en dito pak. Ik hoop vurig dat het trucje dat ik thuis heb geoefend nu van pas komt, want het is de enige oplossing die ik voor handen heb. Rem los, koppeling in. Blik naar beneden en steeds sneller de helling af, de steentjes knisperend onder het rubber van de banden. Dan, op snelheid, draai ik het contact aan, doe een schietgebedje en laat de koppeling los. Zonder problemen komt mijn trouwe motor weer tot leven.

Ik slaak een brul van opluchting en klop Boris enthousiast op zijn benzinetank zoals een ruiter dat doet met een trouw paard. “Oké jongen!! We zijn er nog!!” De spanning vloeit weg uit mijn lijf en maakt plaats voor een golf endorfine. Ik voel me de koning te rijk dat de motor weer loopt en dat ik in mijn eentje de boel weer op de rit heb. Onderaan de helling draai ik om, de weg omhoog ligt uitdagend voor me. Met een brede grijns geef ik voor de tweede keer vandaag gas richting de top van de pas.

Soms moet je kennelijk nóg een keer door een dal voordat je op de top van de berg kunt staan.

Waar speelde dit verhaal zich af?

In het uiterste oosten van Tadzjikistan, net ten noorden van de Wakhan Vallei in Afghanistan, op dag 67 van de reis.  

fullsizeoutput_6aec.jpeg